zondag 26 mei 2013

Vijftien: Vrouw Holle


Na een lange rit door de bergen bereikten we onze eindbestemming. De grote bergchalet, waar de meisjes sliepen, was tevens de gezamenlijke eetplek. De twintig jongens kregen een bed toegewezen in één van de vijf berghutjes, die vijfhonderd meter lager gelegen waren. Het pad dat van de chalet naar deze hutjes leidde, was steil en rotsachtig en overwoekerd met netels en bramen.

Ik had de hele busrit met Gabriël gepraat. Ik schetste mijn favoriete romanpersonages en schreef citaten voor hem op. Hij vroeg wat ze voor me betekenden. Ik liet hem op de walkman het eerste pianoconcerto van Tchaikovsky horen en besefte pas toen de laatste noten in onze oren druppelden, dat zijn adem langs mijn hals streek. We vertelden honderduit. Ik beloofde hem ’s nachts de weg door de sterren te tonen en hij vroeg me of hij ook wat in mijn notitieboekje mocht schrijven. Het was een nieuw boekje. Het leer rook nog naar leer, niet naar sigaretten, bier of bezwete handen.

Uiteraard kozen we hetzelfde hutje en in dat hutje hetzelfde kamertje. Toen ik het hoofdkussen uitklopte, ontsnapten er een paar veren. Eén daarvan belandde op Gabriëls buik. Hij noemde me glimlachend Vrouw Holle. Ik gaf hem een zachte stomp in zijn maag.

Gezeten op de smalle bedden bekende Gabriël bedeesd dat hij dat blonde, sprieterige meisje achter ons in de bus wel leuk vond. Ik geef hem een klap op zijn schouders en verklapte dat zijn voorkeur mij goed uitkwam. Hij vroeg of ik ooit al met een meisje naar bed was geweest. Voor het eerst in twee jaar was ik eerlijk en liet de fabel, die Vincent kende, achterwege. Nee. Ik had mijn vingers al verloren in een zacht meisjeslijf, maar mezelf nog nooit.

Veertien: N&G en twee meisjes


Vlak nadat de bus vertrokken was, stond één van de reisleiders op. Hij ging vooraan in het gangpad staan en stelde zichzelf voor als Michael, ‘op z’n Amerikaans’. Hij heette ons welkom, vertelde hoe lang de reis zou duren, dat je geen alcohol mocht drinken en vooraan mocht komen zitten als je misselijk werd. Hij toonde ons de kotszakjes en voegde daaraan toe dat er wel een wc in de bus was, maar dat die helaas buiten gebruik was. Maar geen paniek, we zouden wel drie keer stoppen tijdens de reis.

Toen stak hij twee videobanden omhoog. Er kon gestemd worden. The bodyguard of Jurassic Park? Geïntimideerd door het boegeroep bij de laklederen omhelzing, staken ook wat meisjes een hand in de lucht toen de dino’s hun tanden lieten zien. Het pleit was beslecht en de film kon beginnen. Ik hoorde de twee vriendinnen die al de hele tijd achter ons zaten te keuvelen, verontwaardigd mopperen. Ze waren allebei mooi, maar die met het lange donkere haar en amandelvormige ogen, vond ik het mooist. Ze kneep haar ogen tot spleetjes. Ik mompelde dat ik niet gestemd had. Dat was niet waar, zei ze. Ook zij had gezien hoe Gabriël als enige zijn hand niet had opgestoken. Hij had zijn hand in de tas gestoken die inmiddels aan zijn voeten stond en twee boeken op zijn schoot gelegd. De Oostakkerse gedichten van Claus en Narziss und Goldmund van Hesse, in het Duits.

zaterdag 25 mei 2013

Dertien: Gabriël


Als ik in een nieuwe ruimte kom, dan voel ik in één zindering wat er leeft. Of er net ruzie is gemaakt. Of er geneukt zal worden. Of er verdriet onder de huiden kruipt. Maar vooral: of er magneetmensen aanwezig zijn.

Toen ik de bus instapte die ons naar de bergen zou brengen, was Gabriël de eerste die me opviel, omdat hij in de groep van uitgelaten zeventienjarigen leek te verdwijnen. Zijn huid was afgezien van een paar sproeten op zijn neus heel licht, bijna doorzichtig. Zijn donkere krullen leken te zweven maar kleefden achteraan in zijn nek van het zweet. De bus joelde en opende massaal blikjes cola en zakken chips. Gabriël zweeg. Hij leunde met zijn hoofd tegen het raam en keek geruisloos naar het groepje ouders, dat probeerde onze laatste aandacht te vangen. Wij schaamden ons voor hen, dus zwaaiden verdoken of helemaal niet. Behalve Gabriël. Hij glimlachte zacht naar zijn moeder en vader en stak even zijn hand op. Ik volgde zijn blauwe ogen. Die leken ook even Vincent te volgen, die met gebogen schouders een sigaret aanstak terwijl hij de parking verliet.

De plek naar Gabriël was leeg. Ik vroeg of ik naast hem kon zitten. Dat mocht. Toen hij zijn rugzakje optilde om plaats voor me te maken, zag ik zijn arm trillen van de inspanning. 

maandag 20 mei 2013

Twaalf: Bergen


Nadat ik Vincents gedachten op de achterkant van de foto had gekrabbeld en de ziel uit mijn lijf had gekotst, viel ik in een bolletje gerold en bevend in slaap. Deze rust was slechts van korte duur. Om zes uur de volgende ochtend trippelde mijn moeder opgejaagd door de slaapkamer. Haar voet haperde in de onderbroek die ik enkele uren eerder in razernij op de grond had geslingerd. Ze vloekte zoals enkel moeders, of toch de mijne, dat hartsgrondig kunnen doen. Of ik als een razende gek wilde douchen en wat boterhammen smeren. Want twee uur later werd ik bepakt en bezakt op de parking van het warenhuis verwacht, om met een groep zeventienjarigen naar de Zwitserse bergen te vertrekken.

Ik weet niet eens meer welke organisatie die reis organiseerde en of het de kringen onder mijn ogen waren die mijn vader ertoe hadden gebracht om deze trip enkele weken eerder onder mijn aandacht te brengen. Ik kende niemand in de bus en de angst die ik hierover voelde werd ruimschoots gecompenseerd door het vooruitzicht twee weken lang in de bergen te zijn. Ik kan me ook herinneren dat ik opluchting voelde, toen Vincent even langskwam op de parking om de foto op te halen. Dat hij daarvoor zo vroeg uit zijn bed was gekomen, interpreteerde ik als dankbaarheid. Net zoals de schouderklop die hij me gaf en het zakje weed dat hij nog snel in mijn handpalm moffelde voor ik de bus instapte.

Ik had al vaag het besef dat ik mezelf niet meer herkende en dat al die andere onbekenden er dus niet toe deden. Voor even. Dat dacht ik.

zondag 19 mei 2013

Elf: Grommen


Wat ik in Vincents naam op de achterkant van de foto schreef, weet ik niet exact meer. Het werkt sinds die ene nacht altijd zo, zeker bij schrijfopdrachten van emotionele aard. De ander, die de juiste woorden niet vindt, neemt als een geest bezit van mij en schrijft met mijn woorden wat hij uit wil drijven of aan wil zuigen. Ik verdwijn.

Ik weet wel nog wat ik dacht vlak voor ik uit bed stapte om te schrijven, wat door me heen raasde toen ik als een woest beest naar Roos’ foto keek en me genadeloos aftrok op de aanblik van die golvende rug. Ik dacht als Vincent. Die de meisjes die hij wil nooit het gevoel geeft dat ze kunnen ontsnappen. Die zich een bandiet waant die in hun lijf inbreekt en daarbij enkel let op vochtigheidsgraad en stijfheid van tepels. Wat de vrouwtjes willen, doet er niet toe, want stuk voor stuk vinden ze het lekker als je gromt als een leeuw, ze zo hard neukt dat ze kermen en krommen van de pijn.

Natuurlijk schreef ik dat niet letterlijk op. Ik legde er een voile overheen en noteerde het verdoken, met veel minder woorden. Maar wat bedoeld werd, droop ervan af. Vincent wilde Roos. Helemaal. Nu. En voor altijd.

Een kwartier nadat ik de zestal zinnen op had geschreven, holde ik naar het toilet en kotste de laatste resten Vincent uit. Ik besloot de woorden nergens over te schrijven, al zeker niet in de boekjes waarin ik al twee jaar Roos’ lichaam bezong. Ik dacht me zo te zuiveren van Vincents gedachten. Hoe naïef. Alle mensen voor wie ik dit soort opdrachten doe, worden uiteindelijk een deel van mij, hoe hard ik me daar ook tegen verzet. En hoe groter de weerstand is om dit op papier toe te geven, hoe erger de hoofdpijn wordt die mijn slapen omknelt.

Maar misschien slaap ik vannacht eindelijk en kan ik daarna vertellen over de bijzondere week die volgde. De week waarin ik volledig uit de driehoek brak.

donderdag 16 mei 2013

Intermezzo Brr


Het is koud geworden door dit verhaal op te schrijven. Mijn vingers vertikken het. Vannacht droomde ik over een inktvis, die ik aan een halsband door een kerkportaal leidde. Hij zoog zich aan mijn kuiten en daarna aan het altaar vast. Mijn sleutelbeenderen doen pijn, alsof ik me aan beide kanten gestoten heb of een te zware last heb opgetild.

Ook toen regende het heftig. Mijn kleren waren doorweekt toen ik met trillende vingers aanbelde. Ze keken naar mijn doorweekte kleren tijdens de onderhandeling, allemaal, maar niemand zei wat. Ik ging een hele nacht niet naar het toilet en bleef mee likeur drinken. In sommige kringen past weigeren niet in de woordenschat. Toen ik uren later zoet beneveld thuiskwam, kleefde mijn broek nog steeds aan mijn kruis. Voor de deur lag een vuilniszak die op een dood beest leek. Toen ik de sleutel in het slot stak, gromde mijn hond. Hij wist dat ik het was.

maandag 13 mei 2013

Tien: Hallucinatie


Nadat ik thuis kwam van bij Vincent, kroop ik meteen in bed. Maar de slaap vatten lukte niet. Enkel tollen en draaien, vechten en schokken. Dat kwam niet enkel door de weed en de drank. Ik voelde me misselijk en meende kinderstemmetjes te horen, die opstegen uit de rij notitieboekjes onderaan in de boekenkast.

Twee jaar lang had ik de ultieme brief aan Roos in mijn hoofd geschreven. Ik had hem geboetseerd naar haar vormen, mijn duimen in wanhoop op mijn ogen geplaatst, alles wat ze voor me was weer op een hoop gegooid en met zachte afdrukken haar lichaam nog trotser gemaakt dan het al was. Maar al die woorden waren nu onbruikbaar.

Want wat ze zou lezen, waren niet de woorden van een jongen die al twee jaar tegen beter weten in verliefd op haar was. Ze zou het onderschrift te zien krijgen van een genadeloos geil portret dat Vincent maakte van een waterdruppel op haar rug. Hij wilde de enige toeschouwer zijn die wist waar het water heen gleed, de enige tong bezitten die de druppel mocht stoppen in zijn vlucht.

Beelden van een paar weken eerder zochten mijn draaiende kop op. Vincent en ik hadden paddo's geslikt, in het weiland onder de sterren. Uit een molshoop tussen ons in zagen we plots een engel opstijgen. We wilden allebei de engel strelen tot ze zong, maar dit lijf van licht ook verstoppen in de grond en vergeten dat het bestond. We hadden gehuild en als gekken met onze handen door de aarde gegraaid. De engel was onze verlossing en ondergang tegelijk. Toen de trip uitgewerkt was en we bevestigden wat we al wisten, schalde onze lach net iets te hard tussen de nachtelijke wolken. De echo ontbrak.

zondag 12 mei 2013

Negen: Beeldbrief


Vincent verkocht bijna alle foto’s die tentoongesteld werden. Toen we twee weken na de opening de kaders van de muren haalden en in een bestelbusje plaatsten, foeterde hij luidop. Hij had meer geld kunnen vragen.

Roos had met ons champagne gedronken. Geproost op en onder Vincents nietsontziende blik. Drie dagen later was ze naar Zuid-Frankrijk gelift met een paar vriendinnen. Ze zou terugkomen nadat ik op reis was vertrokken. Juli was van ons. Maar augustus was verdeeld, we kwamen elkaar slechts een paar keer op een kruispunt tegen.

Vincent en ik legden het debuut van Rage against the machine in de cd-lader, rolden een joint en vlogen flink in het bier.  Zoals steeds waren onze gesprekken karig. Ik zei dat het goed was gegaan. Vincent beaamde en zweeg. Ik ging verder. Dat het super was dat hij die modefotograaf had ontmoet, die hem gevraagd had om in de herfst mee naar Milaan te gaan. Vincent knikte zonder een spoor van triomf.

Plots keek hij me aan. Hij haalde een printje van Roos’ rug uit zijn rugzak en schoof dat over de tafel naar me heen. Ik zag hoe de rechterbovenhoek een biervlek opslorpte. Toen greep hij een pen. Of ik er op de achterkant iets bij wilde schrijven. Voor als ze terugkwam. In zijn naam, dus geen poëzie, dat was niks voor hem. Wat woorden voor de duidelijkheid.

donderdag 9 mei 2013

Acht: Mottenplaag


De laatste zomer van onze geometrische vriendschap was in veel opzichten memorabel, met lijnen die op het punt stonden te knappen, verwarrende hoeken en bizarre wendingen. We verdwaalden nog meer in elkaar dan voorheen. Het huis waarin ik woonde werd getroffen door een mottenplaag, die mijn moeder wanhopiger maakte dan ze van nature al was. De eieren leken tot ver buiten de kleerkasten gelegd te worden, dus hing er tot ik in de vroege winter verhuisde, een indringende geur van kamperfoelie in alle kamers.

Het was 1993 en Michael Jacksons jongere zus stond hoog in de hitlijsten. Vincent en ik kreunden onder zoveel zwarte wansmaak. Maar als Roos aan de onderste tak van de boom in het park hing en ‘Like a moth to a flame, burned by the fire’ zong terwijl de wind door haar haren speelde, hapten we naar adem. Ik had die zomer Georges Bataille ontdekt en las verwoed al zijn werken, maar geen van de citaten die ik ’s avonds overschreef was toereikend voor Roos die ons ondersteboven aan een perenboom schalks toelachte.

Vincent had ondertussen ontdekt dat hij meer kon dan stilte voor de sterren eisen, whisky zuipen en jonge meisjes klaarvingeren. Hij had in de lente op een vlooienmarkt voor een zacht prijsje een Nikon op de kop getikt. Al snel waren ze onafscheidelijk. Vincents blik brandde als nooit tevoren en zijn scherpe, harde beelden rolden al gauw over de dorpstongen. In april had hij een eerste tentoonstelling in het plaatselijke culturele centrum. Centraal hing een zwart-wit foto die hij aan het zwembad had gemaakt. Een waterdruppel rolde links van Roos’ ruggengraat naar beneden. Of die druppel haar broekje bereikte, weet ik niet. Mijn notitieboekje heeft hij in ieder geval niet gehaald.

dinsdag 7 mei 2013

Zeven: Verzoek


Ik was geen seconde verrast door Vincents verzoek en ook daarom leek het geen enkele afbreuk te doen aan mijn eergevoel. Integendeel.

De maanden die vooraf gingen aan Vincents vraag, werd ik steeds woester op mezelf. Niet zozeer omdat ik Roos niet kon krijgen, maar omdat ik me daar pijnlijk bewust van was en dat dit besef geen ene moer aan mijn gevoel veranderde. Nu, twintig jaar later, snap ik nog steeds niet goed waarom ik steevast kies voor wat me ongelukkig maakt. En hoe het komt dat ik vooraf nooit kan inschatten wat de foute keuze zal blijken. Ik loop weg voor wat me zalft en loop recht naar het mes dat me doormidden klieft. Niet steeds zo dramatisch, maar nooit radicaal anders. Steeds weer. En te vaak verzin ik er allerlei drogredenen bij.

Roos’ hele wezen was een doorn in mijn verliefde oog, haar vriendschappelijke vertrouwdheid een zoute pleister op de wonde. Vincents verzoek voelde als een verlossing, terwijl het, dat realiseer ik me elke dag helderder, een vloek was.

‘Je moet me helpen, Andreas. Ik weet dat ze me wil, maar ik wil haar langer dan voor even. Ik zal nooit zijn wie ze verdient, maar zij zal beter voor mij zijn dan ooit voor jou.’

Zoiets. Waarschijnlijk nog botter, nog harder, nog minder uit de boeken. Ik luisterde en zag mijn verlosser. En ik voelde me opgelucht en vereerd, omdat hij het me vroeg. Niet zij.

zondag 5 mei 2013

Intermezzo S


Ik zit bijna op zijn schoot, ben er net te groot voor geworden. Door de deuren waaien geluiden uit de keuken. Gerammel van messen, een glas dat valt. Ze maakt zich druk, ontroering wordt elke dag meer verdrongen door verontwaardiging. Ik krimp in elkaar.

Hij lacht. Niet om de geluiden die we horen, maar om wat er zich voor ons op het scherm afspeelt. We zijn samen door messen gesprongen, hebben een toren beklommen en achter de poort net op tijd het zwaard gegrepen, zijn op krachten gekomen door de juiste kleur te drinken. Om de beurt bedienen we de pijltjes, wat de een niet lukt, krijgt de ander voor elkaar.

Hij heeft me overal doorheen geloodst. Maar ik kon me tot daarnet het laatste level niet herinneren. Om de prinses te bevrijden en tot heerser gekroond te worden, moet je je eigen schaduw niet bevechten, maar ermee samenvallen. Dat wist ik niet of ben ik vergeten. Dat werd me niet getoond of ik heb niet geluisterd. Daar slaagde hij nooit in. Of heb ik nooit geprobeerd.

Zes: Herbronnen

 
Soms was Vincent er niet bij. Hij was twee jaar ouder dan ons en werd onrustig van de schoolbanken en zijn moeder, een knappe vrouw die genoeg mannen had om de regelmatige afwezigheid van Vincents vermeende vader te compenseren. Dat was een rijzige piloot van langeafstandsvluchten, die op uiterst professionele wijze zijn huwelijk veronachtzaamde en blind bleef voor wie hij achterliet. En ook al schoven die andere mannen nooit mee aan tafel, Vincent wist van hun bestaan af. Veel meer dan een binnensmondse verwensing gunde hij hen niet. Vluchtend voor hen en de opzichtige sporen die ze achterlieten, vertrok hij weekenden lang om ‘frisse lucht te happen’, zoals hij het noemde in Roos’ bijzijn. Maar het leken veeleer rooftochten, waarin hij vrienden in de stad opzocht, hun brommers in de prak reed, meisjes van dertien versierde en heel wat meer probeerde dan de bessenjenever en de jointjes die hij met mij en Roos deelde.

Als Vincent vertrokken was, kwam Roos graag bij me langs. Ze hield van de grote tuin en van de geur in de keuken. Nadat ze aanbelde, groette ze steevast de portretten in de hal, die mijn moeder in opzichtige gouden lijsten had opgehangen. Daarna aaide Roos mijn zus over haar hoofd, veinsde even belangstelling voor een nieuwe pop of prentenboek en klom met mij de trap op.

Als we met zijn tweeën waren, dronken we vaker thee dan jenever. We luisterden naar radioshows, die we met een cassetterecorder opnamen, soms over elkaar heen. Zonder het gepraat tussen de muziek, daar zorgde Roos voor. Ik dronk haar woorden en bediende de knoppen. ’s Avonds laat schreef ik neer hoe de haartjes op haar wang die dag glansden in het zonlicht.

Telkens opnieuw werd het duidelijk dat Roos meer interesse had in de dingen die me omringden dan wat die dingen voor me betekenden. Ze bladerde koortsachtig door boeken, op zoek naar citaten die ik op de kaft van haar schoolagenda had geschreven en die ze niet als spiegels van mijn ziel las, maar de hare. Ze vroeg me liever waar een koffievlek vandaan kwam dan waarom een citaat mij getroffen had. Als ze echt naar mijn mening peilde, betrof die Vincent.

Ik zag met lede ogen aan hoe haar pupillen wijder werden als hij tien minuten te laat het klaslokaal binnenstapte. Hoe haar lichaam zich naar hem draaide als ze tussen ons in op de bus stond te wachten. Hoe haar ranke schouders zakten als hij onverwachts opstapte om te ‘herbronnen’, zoals zij het begripvol noemde. Zelfs dat noteerde ik ’s avonds in mijn boekjes, waarin die dingen stonden die mij het meest troffen, in zoekende regels die ik haar nooit voorlas.

vrijdag 3 mei 2013

Vijf: Driehoek


Toen Vincents verzoek kwam, werd ik al ruimschoots anderhalf jaar door Roos betoverd. Nooit had ik mezelf wijsgemaakt dat ook maar een fractie van deze betovering wederzijds was. Ik wist dat ik bovenal een belezen broer voor haar was, een luistergrage vriend die goed van pas kwam. Ik had nooit grote boomhutten gebouwd, liet geen vuur oplaaien, maar verbreedde haar blik op de wereld, die voor een groot deel uit hem bestond.

Dat ik net als zij naar hem opkeek en hem dus nooit helder zag, leken we allebei niet te beseffen. In haar ogen had ik heel wat uithoeken van het onherbergzame land dat Vincent heette in kaart gebracht. Dat was wat telde en hoe ik me onmisbaar maakte. Dat ik verliefd op haar was, was een kwestie die ze liever omzeilde. Ze heeft het me nooit gevraagd en het leek me zinloos om het te vertellen. Ik was een kompas voor haar, geen legende die ze wilde ontcijferen.

We trokken twee jaar lang heel vaak met z’n drieën op. Tijdens de pauzes, op vrijdagavonden, woensdagmiddagen en vakantiedagen. Op zomeravonden liepen we naar een weiland in een naburig dorp. Daar keken we naar de wolken tot ze sterren werden en dronken zoveel goedkope jenever tot we die sterren dubbel telden. Het was één van de weinige momenten waarop Vincent spraakzaam werd. Een blik in zijn ziel gunde hij ons niet, maar in ruil daarvan kregen we verhalen te horen over sterrenstof en supernova’s. Als Roos grappend zei dat in een roman die ze las Betelgeuze geen ster maar dwergenkoning was, fronste hij zijn wenkbrauwen en zweeg. Het universum was één van de weinige dingen die hij nooit weglachte.  

woensdag 1 mei 2013

Vier: Vincent




Schrijven over Vincent valt me zwaar. Best schrijnend, als ik bedenk hoe vloeiend gisteren mijn pen over Roos’ lichaam gleed. Maar de man die ik op mijn vijftiende leerde kennen, laat meer dan twintig jaar later nog steeds mijn woorden stokken. The bastard. Nochtans was zijn invloed veel groter dan die van welke vrouw dan ook. Mijn vrouwen droom ik voor de helft, omdat ze daarom vragen. De enkelingen die ik mijn vriendinnen noem, van vlees en bloed, hebben zelf genoeg woorden om aan onze band vorm en kleur te geven. Met Vincent was dat niet zo. Hij kijkt zwijgend toe terwijl ik stotter. Ik ben hem nog altijd iets verschuldigd, terwijl onze geschiedenis het omgekeerde lijkt te beweren.

Vincent ademde op zijn zeventiende al zwaar. Hij leerde me whisky drinken, vissen vangen en shaggies draaien. Bij het kampvuur was hij steevast de man die zonder aarzelen op de stronk het dichtst bij de houtstapel  ging zitten. Als hij met een stok in het vuur pookte en met zijn bergschoenen de takken rangschikte, waren alle ogen op hem gericht. Hij keek alleen maar naar het vuur.

Ik begrijp nog steeds niet waarom ik Roos in zijn handen heb geduwd. Het gebeurde en het was simpelweg iets wat ik toen niet in vraag stelde. Hij was de robuuste muur, zij het kostbare schilderij. Ik was de onzichtbare plug die in de muur verdwijnt. En al heb ik mezelf daarmee een handig kunstje geleerd, ik ben er geen haar beter door geworden.

Mijn onvoorwaardelijke dienstbaarheid aan Vincent had in ieder geval niets met mijn uiterlijk te maken. Ik ben geen Cyrano met een wanstaltige neus of een gebochelde rug. Mijn fijne trekken vallen in de smaak bij vrouwen en mannen vinden me op het eerste gezicht volslagen ongevaarlijk. Vincent ook.

dinsdag 30 april 2013

Drie: Roos






Dat wij meesters zijn in de mooiste fabels fabriceren en dat we ze graag van elkaar geloven, dat besefte ik snel. Maar soms is de taal ook minder fijnbesnaard dan waar ze naar verwijst. Dat besef drong diep tot me door toen Roos voor het eerst het klaslokaal binnenwaaide. Zo’n banale bloemennaam voor een meid die kon bloeien zonder te aarden? Ik leerde de ouders die dit hun kind aandeden nooit kennen. Vincent kent ze wel.

De andere jongens waren meteen wild van haar lange benen en volle borsten. Ze maakten me misselijk met de grove woorden die ze voor haar borsten verzonnen en luidkeels verkondigden. Alsof er één millimeter van haar tot die banaliteit te herleiden viel. Vincent zag meer. Hij had oog voor de deining en wist dat de betovering daar ontstond, maar hij vond er de juiste woorden niet voor. Daar had hij mij voor nodig.

Ik beschreef haar hele lijf ’s avonds in een beduimeld notitieboekje, dat ik nooit aan Vincent toonde. Twee jaar lang, tot ik van dorp verhuisde en de groeiende rij boekjes in een grote koffer stak. Ik kende de golving van haar sleutelbeenderen en ontdekte dat ze haar haar korter liet knippen van zodra het voorbij die ovale sproet op haar rug groeide. Ik besefte dat ze twee spiegels nodig had om die sproet te lokaliseren en dat ze dus haar beslissing nam op basis van die ene lok, die ze tijdens de wiskundeles inspecteerde op gespleten haarpunten.

Ik zag hoe ze haar hoogste buikspieren opspande als ze voorbij Vincent liep en kende het lijnenspel dat op haar voorhoofd verscheen als ze tegen de zon inkeek. Ik herkende de sporen van schors op haar knieën als ze ’s zomers met een boek in een boom was geklommen en vermoedde dat ze aan de scherpe eeltrand op haar linkervoet knaagde, omdat die soms plots kleiner was en ze niet het soort meisje was dat geld uitgaf aan een pedicureset of nagellak. Omdat ze lenig was en haar kattenlijf dubbel kon plooien. Omdat ik hoopte dat ze elke avond in mijn plaats haar eigen Griekse tenen kuste. Maar vooral: omdat ze mooi was op een dierlijke, onbewuste manier.

Hoe de spieren in haar rug golven als ze klaarkomt, dat heb ik nooit geweten. Vincent weet het wel.

maandag 29 april 2013

Twee: Zonde



‘Zonde’, hoorde ik een man zeggen. Onze schouders raakten elkaar op de vlieghaven. Hij verontschuldigde zich binnensmonds, ging verder met zijn verhaal, verdween gehaast uit mijn rugveld. Wat hij ‘zonde’ vond, bleef een raadsel. Veel opties zijn er niet. Hij had het vast over iets leuks wat net niet gebeurd was. Een feest dat niet doorging. Een vrouw die toch niet belde. Een zon die niet scheen.

Er zijn twee soorten mensen. Zij die ‘zonde’ die dingen noemen die niet gebeurd zijn, de acties die ze toch maar niet ondernamen, het mooie hemd dat te klein bleek, de druppels van het godendrankje die naast het glas belandden. De relatie van twee mensen die tot hun verbazing mislukte. Die dingen die wél gebeuren en die hen schokken, die noemen ze geen ‘zonde’ maar ‘schande’. Ze hebben het goed voor met de wereld. Ik begrijp deze eerste soort. Daarom vertrouw ik hen.

Dan zijn er diegenen voor wie ‘zonde’ is wat wél gebeurt. Deze mensen hebben lak aan regels en rekken grenzen op. Ze zijn niet tevreden met spannende namen als ‘gula’, ‘avaritia’ of ‘luxuria’ en zoeken er steeds nieuwe bijnamen voor. Deze zondigen kijken neer op de kaders en categorieën van anderen, maar zijn er ook bevreesd voor. Hun zondeloze alledaagsheid vinden ze volstrekt ontoereikend en onbereikbaar tegelijk. Zij die in hun ogen een tweedimensionaal leven leiden, oogsten hun minachting maar zijn nodig om te overleven. Ik begrijp deze tweede soort. Daarom vertrouwen ze mij.

Ik ken weinig mensen die niet helder in te delen zijn in één van deze twee categorieën. Mezelf misschien. Door de hachelijke onderneming die ik me op de hals heb gehaald, hoor ik toch voor het eerst sinds lange tijd weer bij de eerste soort. Ik heb hen meer dan ooit nodig. De grootste zonde zou mijn zwijgen zijn, dat wat ik toch maar niet vertelde. Maar ik verdien mijn boterham door de tweede soort te dienen, te dekken en te spekken.

zondag 28 april 2013

Eén: Daarom


Mijn naam is Andreas Yperman. Ik ben zevenendertig jaar geleden geboren, maar waar ik ontstond weet ik niet. Ik heb op heel wat plekken gewoond, maar me nergens thuis gevoeld. Misschien dat ik dit daarom doe.

Sinds gisteren ben ik in een magneetstad in het zuiden. Het is eind april. De zon schijnt niet hard voor de tijd van het jaar. Maar de wind die bij mijn komst opstak, is nu al legendarisch, zelfs in een ruig havenstadje als dit. ’s Nachts in bed stelde ik me voor hoe de schelpen in de zee klapperden. Ik hoorde de geheimen over de lage daken waaien, de geheimen die ik ook hier goed ken. Een hond blafte. Ik voelde angst, maar wist niet of die van mij was. Ik weet niet meer of ik als kind bang was voor stormweer. Misschien dat ik dit daarom doe.

Ik hou van vrouwen en verhalen en vind het onderscheid tussen hen soms moeilijk om te maken. Ik hou van verlaten plekken en vanuit de drukte observeren. Ik leg graag mijn hand op buiken en probeer de diepte te bepalen. Maar als ik mijn eigen buik betast, kan ik nooit meer huilen. Er klopt iets niet. Misschien dat ik dit daarom doe.

Ik heet Andreas. Mijn naam betekent ‘manhaftig’. Ik kan de waarheid kneden tot ze u beter past, maar of ik mijn naam waar kan maken weet ik niet. Misschien dat ik dit daarom doe.