dinsdag 7 mei 2013

Zeven: Verzoek


Ik was geen seconde verrast door Vincents verzoek en ook daarom leek het geen enkele afbreuk te doen aan mijn eergevoel. Integendeel.

De maanden die vooraf gingen aan Vincents vraag, werd ik steeds woester op mezelf. Niet zozeer omdat ik Roos niet kon krijgen, maar omdat ik me daar pijnlijk bewust van was en dat dit besef geen ene moer aan mijn gevoel veranderde. Nu, twintig jaar later, snap ik nog steeds niet goed waarom ik steevast kies voor wat me ongelukkig maakt. En hoe het komt dat ik vooraf nooit kan inschatten wat de foute keuze zal blijken. Ik loop weg voor wat me zalft en loop recht naar het mes dat me doormidden klieft. Niet steeds zo dramatisch, maar nooit radicaal anders. Steeds weer. En te vaak verzin ik er allerlei drogredenen bij.

Roos’ hele wezen was een doorn in mijn verliefde oog, haar vriendschappelijke vertrouwdheid een zoute pleister op de wonde. Vincents verzoek voelde als een verlossing, terwijl het, dat realiseer ik me elke dag helderder, een vloek was.

‘Je moet me helpen, Andreas. Ik weet dat ze me wil, maar ik wil haar langer dan voor even. Ik zal nooit zijn wie ze verdient, maar zij zal beter voor mij zijn dan ooit voor jou.’

Zoiets. Waarschijnlijk nog botter, nog harder, nog minder uit de boeken. Ik luisterde en zag mijn verlosser. En ik voelde me opgelucht en vereerd, omdat hij het me vroeg. Niet zij.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten