maandag 13 mei 2013

Tien: Hallucinatie


Nadat ik thuis kwam van bij Vincent, kroop ik meteen in bed. Maar de slaap vatten lukte niet. Enkel tollen en draaien, vechten en schokken. Dat kwam niet enkel door de weed en de drank. Ik voelde me misselijk en meende kinderstemmetjes te horen, die opstegen uit de rij notitieboekjes onderaan in de boekenkast.

Twee jaar lang had ik de ultieme brief aan Roos in mijn hoofd geschreven. Ik had hem geboetseerd naar haar vormen, mijn duimen in wanhoop op mijn ogen geplaatst, alles wat ze voor me was weer op een hoop gegooid en met zachte afdrukken haar lichaam nog trotser gemaakt dan het al was. Maar al die woorden waren nu onbruikbaar.

Want wat ze zou lezen, waren niet de woorden van een jongen die al twee jaar tegen beter weten in verliefd op haar was. Ze zou het onderschrift te zien krijgen van een genadeloos geil portret dat Vincent maakte van een waterdruppel op haar rug. Hij wilde de enige toeschouwer zijn die wist waar het water heen gleed, de enige tong bezitten die de druppel mocht stoppen in zijn vlucht.

Beelden van een paar weken eerder zochten mijn draaiende kop op. Vincent en ik hadden paddo's geslikt, in het weiland onder de sterren. Uit een molshoop tussen ons in zagen we plots een engel opstijgen. We wilden allebei de engel strelen tot ze zong, maar dit lijf van licht ook verstoppen in de grond en vergeten dat het bestond. We hadden gehuild en als gekken met onze handen door de aarde gegraaid. De engel was onze verlossing en ondergang tegelijk. Toen de trip uitgewerkt was en we bevestigden wat we al wisten, schalde onze lach net iets te hard tussen de nachtelijke wolken. De echo ontbrak.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten