vrijdag 3 mei 2013

Vijf: Driehoek


Toen Vincents verzoek kwam, werd ik al ruimschoots anderhalf jaar door Roos betoverd. Nooit had ik mezelf wijsgemaakt dat ook maar een fractie van deze betovering wederzijds was. Ik wist dat ik bovenal een belezen broer voor haar was, een luistergrage vriend die goed van pas kwam. Ik had nooit grote boomhutten gebouwd, liet geen vuur oplaaien, maar verbreedde haar blik op de wereld, die voor een groot deel uit hem bestond.

Dat ik net als zij naar hem opkeek en hem dus nooit helder zag, leken we allebei niet te beseffen. In haar ogen had ik heel wat uithoeken van het onherbergzame land dat Vincent heette in kaart gebracht. Dat was wat telde en hoe ik me onmisbaar maakte. Dat ik verliefd op haar was, was een kwestie die ze liever omzeilde. Ze heeft het me nooit gevraagd en het leek me zinloos om het te vertellen. Ik was een kompas voor haar, geen legende die ze wilde ontcijferen.

We trokken twee jaar lang heel vaak met z’n drieën op. Tijdens de pauzes, op vrijdagavonden, woensdagmiddagen en vakantiedagen. Op zomeravonden liepen we naar een weiland in een naburig dorp. Daar keken we naar de wolken tot ze sterren werden en dronken zoveel goedkope jenever tot we die sterren dubbel telden. Het was één van de weinige momenten waarop Vincent spraakzaam werd. Een blik in zijn ziel gunde hij ons niet, maar in ruil daarvan kregen we verhalen te horen over sterrenstof en supernova’s. Als Roos grappend zei dat in een roman die ze las Betelgeuze geen ster maar dwergenkoning was, fronste hij zijn wenkbrauwen en zweeg. Het universum was één van de weinige dingen die hij nooit weglachte.  

Geen opmerkingen:

Een reactie posten