woensdag 1 mei 2013

Vier: Vincent




Schrijven over Vincent valt me zwaar. Best schrijnend, als ik bedenk hoe vloeiend gisteren mijn pen over Roos’ lichaam gleed. Maar de man die ik op mijn vijftiende leerde kennen, laat meer dan twintig jaar later nog steeds mijn woorden stokken. The bastard. Nochtans was zijn invloed veel groter dan die van welke vrouw dan ook. Mijn vrouwen droom ik voor de helft, omdat ze daarom vragen. De enkelingen die ik mijn vriendinnen noem, van vlees en bloed, hebben zelf genoeg woorden om aan onze band vorm en kleur te geven. Met Vincent was dat niet zo. Hij kijkt zwijgend toe terwijl ik stotter. Ik ben hem nog altijd iets verschuldigd, terwijl onze geschiedenis het omgekeerde lijkt te beweren.

Vincent ademde op zijn zeventiende al zwaar. Hij leerde me whisky drinken, vissen vangen en shaggies draaien. Bij het kampvuur was hij steevast de man die zonder aarzelen op de stronk het dichtst bij de houtstapel  ging zitten. Als hij met een stok in het vuur pookte en met zijn bergschoenen de takken rangschikte, waren alle ogen op hem gericht. Hij keek alleen maar naar het vuur.

Ik begrijp nog steeds niet waarom ik Roos in zijn handen heb geduwd. Het gebeurde en het was simpelweg iets wat ik toen niet in vraag stelde. Hij was de robuuste muur, zij het kostbare schilderij. Ik was de onzichtbare plug die in de muur verdwijnt. En al heb ik mezelf daarmee een handig kunstje geleerd, ik ben er geen haar beter door geworden.

Mijn onvoorwaardelijke dienstbaarheid aan Vincent had in ieder geval niets met mijn uiterlijk te maken. Ik ben geen Cyrano met een wanstaltige neus of een gebochelde rug. Mijn fijne trekken vallen in de smaak bij vrouwen en mannen vinden me op het eerste gezicht volslagen ongevaarlijk. Vincent ook.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten