zondag 26 mei 2013

Vijftien: Vrouw Holle


Na een lange rit door de bergen bereikten we onze eindbestemming. De grote bergchalet, waar de meisjes sliepen, was tevens de gezamenlijke eetplek. De twintig jongens kregen een bed toegewezen in één van de vijf berghutjes, die vijfhonderd meter lager gelegen waren. Het pad dat van de chalet naar deze hutjes leidde, was steil en rotsachtig en overwoekerd met netels en bramen.

Ik had de hele busrit met Gabriël gepraat. Ik schetste mijn favoriete romanpersonages en schreef citaten voor hem op. Hij vroeg wat ze voor me betekenden. Ik liet hem op de walkman het eerste pianoconcerto van Tchaikovsky horen en besefte pas toen de laatste noten in onze oren druppelden, dat zijn adem langs mijn hals streek. We vertelden honderduit. Ik beloofde hem ’s nachts de weg door de sterren te tonen en hij vroeg me of hij ook wat in mijn notitieboekje mocht schrijven. Het was een nieuw boekje. Het leer rook nog naar leer, niet naar sigaretten, bier of bezwete handen.

Uiteraard kozen we hetzelfde hutje en in dat hutje hetzelfde kamertje. Toen ik het hoofdkussen uitklopte, ontsnapten er een paar veren. Eén daarvan belandde op Gabriëls buik. Hij noemde me glimlachend Vrouw Holle. Ik gaf hem een zachte stomp in zijn maag.

Gezeten op de smalle bedden bekende Gabriël bedeesd dat hij dat blonde, sprieterige meisje achter ons in de bus wel leuk vond. Ik geef hem een klap op zijn schouders en verklapte dat zijn voorkeur mij goed uitkwam. Hij vroeg of ik ooit al met een meisje naar bed was geweest. Voor het eerst in twee jaar was ik eerlijk en liet de fabel, die Vincent kende, achterwege. Nee. Ik had mijn vingers al verloren in een zacht meisjeslijf, maar mezelf nog nooit.

Veertien: N&G en twee meisjes


Vlak nadat de bus vertrokken was, stond één van de reisleiders op. Hij ging vooraan in het gangpad staan en stelde zichzelf voor als Michael, ‘op z’n Amerikaans’. Hij heette ons welkom, vertelde hoe lang de reis zou duren, dat je geen alcohol mocht drinken en vooraan mocht komen zitten als je misselijk werd. Hij toonde ons de kotszakjes en voegde daaraan toe dat er wel een wc in de bus was, maar dat die helaas buiten gebruik was. Maar geen paniek, we zouden wel drie keer stoppen tijdens de reis.

Toen stak hij twee videobanden omhoog. Er kon gestemd worden. The bodyguard of Jurassic Park? Geïntimideerd door het boegeroep bij de laklederen omhelzing, staken ook wat meisjes een hand in de lucht toen de dino’s hun tanden lieten zien. Het pleit was beslecht en de film kon beginnen. Ik hoorde de twee vriendinnen die al de hele tijd achter ons zaten te keuvelen, verontwaardigd mopperen. Ze waren allebei mooi, maar die met het lange donkere haar en amandelvormige ogen, vond ik het mooist. Ze kneep haar ogen tot spleetjes. Ik mompelde dat ik niet gestemd had. Dat was niet waar, zei ze. Ook zij had gezien hoe Gabriël als enige zijn hand niet had opgestoken. Hij had zijn hand in de tas gestoken die inmiddels aan zijn voeten stond en twee boeken op zijn schoot gelegd. De Oostakkerse gedichten van Claus en Narziss und Goldmund van Hesse, in het Duits.

zaterdag 25 mei 2013

Dertien: Gabriël


Als ik in een nieuwe ruimte kom, dan voel ik in één zindering wat er leeft. Of er net ruzie is gemaakt. Of er geneukt zal worden. Of er verdriet onder de huiden kruipt. Maar vooral: of er magneetmensen aanwezig zijn.

Toen ik de bus instapte die ons naar de bergen zou brengen, was Gabriël de eerste die me opviel, omdat hij in de groep van uitgelaten zeventienjarigen leek te verdwijnen. Zijn huid was afgezien van een paar sproeten op zijn neus heel licht, bijna doorzichtig. Zijn donkere krullen leken te zweven maar kleefden achteraan in zijn nek van het zweet. De bus joelde en opende massaal blikjes cola en zakken chips. Gabriël zweeg. Hij leunde met zijn hoofd tegen het raam en keek geruisloos naar het groepje ouders, dat probeerde onze laatste aandacht te vangen. Wij schaamden ons voor hen, dus zwaaiden verdoken of helemaal niet. Behalve Gabriël. Hij glimlachte zacht naar zijn moeder en vader en stak even zijn hand op. Ik volgde zijn blauwe ogen. Die leken ook even Vincent te volgen, die met gebogen schouders een sigaret aanstak terwijl hij de parking verliet.

De plek naar Gabriël was leeg. Ik vroeg of ik naast hem kon zitten. Dat mocht. Toen hij zijn rugzakje optilde om plaats voor me te maken, zag ik zijn arm trillen van de inspanning. 

maandag 20 mei 2013

Twaalf: Bergen


Nadat ik Vincents gedachten op de achterkant van de foto had gekrabbeld en de ziel uit mijn lijf had gekotst, viel ik in een bolletje gerold en bevend in slaap. Deze rust was slechts van korte duur. Om zes uur de volgende ochtend trippelde mijn moeder opgejaagd door de slaapkamer. Haar voet haperde in de onderbroek die ik enkele uren eerder in razernij op de grond had geslingerd. Ze vloekte zoals enkel moeders, of toch de mijne, dat hartsgrondig kunnen doen. Of ik als een razende gek wilde douchen en wat boterhammen smeren. Want twee uur later werd ik bepakt en bezakt op de parking van het warenhuis verwacht, om met een groep zeventienjarigen naar de Zwitserse bergen te vertrekken.

Ik weet niet eens meer welke organisatie die reis organiseerde en of het de kringen onder mijn ogen waren die mijn vader ertoe hadden gebracht om deze trip enkele weken eerder onder mijn aandacht te brengen. Ik kende niemand in de bus en de angst die ik hierover voelde werd ruimschoots gecompenseerd door het vooruitzicht twee weken lang in de bergen te zijn. Ik kan me ook herinneren dat ik opluchting voelde, toen Vincent even langskwam op de parking om de foto op te halen. Dat hij daarvoor zo vroeg uit zijn bed was gekomen, interpreteerde ik als dankbaarheid. Net zoals de schouderklop die hij me gaf en het zakje weed dat hij nog snel in mijn handpalm moffelde voor ik de bus instapte.

Ik had al vaag het besef dat ik mezelf niet meer herkende en dat al die andere onbekenden er dus niet toe deden. Voor even. Dat dacht ik.

zondag 19 mei 2013

Elf: Grommen


Wat ik in Vincents naam op de achterkant van de foto schreef, weet ik niet exact meer. Het werkt sinds die ene nacht altijd zo, zeker bij schrijfopdrachten van emotionele aard. De ander, die de juiste woorden niet vindt, neemt als een geest bezit van mij en schrijft met mijn woorden wat hij uit wil drijven of aan wil zuigen. Ik verdwijn.

Ik weet wel nog wat ik dacht vlak voor ik uit bed stapte om te schrijven, wat door me heen raasde toen ik als een woest beest naar Roos’ foto keek en me genadeloos aftrok op de aanblik van die golvende rug. Ik dacht als Vincent. Die de meisjes die hij wil nooit het gevoel geeft dat ze kunnen ontsnappen. Die zich een bandiet waant die in hun lijf inbreekt en daarbij enkel let op vochtigheidsgraad en stijfheid van tepels. Wat de vrouwtjes willen, doet er niet toe, want stuk voor stuk vinden ze het lekker als je gromt als een leeuw, ze zo hard neukt dat ze kermen en krommen van de pijn.

Natuurlijk schreef ik dat niet letterlijk op. Ik legde er een voile overheen en noteerde het verdoken, met veel minder woorden. Maar wat bedoeld werd, droop ervan af. Vincent wilde Roos. Helemaal. Nu. En voor altijd.

Een kwartier nadat ik de zestal zinnen op had geschreven, holde ik naar het toilet en kotste de laatste resten Vincent uit. Ik besloot de woorden nergens over te schrijven, al zeker niet in de boekjes waarin ik al twee jaar Roos’ lichaam bezong. Ik dacht me zo te zuiveren van Vincents gedachten. Hoe naïef. Alle mensen voor wie ik dit soort opdrachten doe, worden uiteindelijk een deel van mij, hoe hard ik me daar ook tegen verzet. En hoe groter de weerstand is om dit op papier toe te geven, hoe erger de hoofdpijn wordt die mijn slapen omknelt.

Maar misschien slaap ik vannacht eindelijk en kan ik daarna vertellen over de bijzondere week die volgde. De week waarin ik volledig uit de driehoek brak.

donderdag 16 mei 2013

Intermezzo Brr


Het is koud geworden door dit verhaal op te schrijven. Mijn vingers vertikken het. Vannacht droomde ik over een inktvis, die ik aan een halsband door een kerkportaal leidde. Hij zoog zich aan mijn kuiten en daarna aan het altaar vast. Mijn sleutelbeenderen doen pijn, alsof ik me aan beide kanten gestoten heb of een te zware last heb opgetild.

Ook toen regende het heftig. Mijn kleren waren doorweekt toen ik met trillende vingers aanbelde. Ze keken naar mijn doorweekte kleren tijdens de onderhandeling, allemaal, maar niemand zei wat. Ik ging een hele nacht niet naar het toilet en bleef mee likeur drinken. In sommige kringen past weigeren niet in de woordenschat. Toen ik uren later zoet beneveld thuiskwam, kleefde mijn broek nog steeds aan mijn kruis. Voor de deur lag een vuilniszak die op een dood beest leek. Toen ik de sleutel in het slot stak, gromde mijn hond. Hij wist dat ik het was.

maandag 13 mei 2013

Tien: Hallucinatie


Nadat ik thuis kwam van bij Vincent, kroop ik meteen in bed. Maar de slaap vatten lukte niet. Enkel tollen en draaien, vechten en schokken. Dat kwam niet enkel door de weed en de drank. Ik voelde me misselijk en meende kinderstemmetjes te horen, die opstegen uit de rij notitieboekjes onderaan in de boekenkast.

Twee jaar lang had ik de ultieme brief aan Roos in mijn hoofd geschreven. Ik had hem geboetseerd naar haar vormen, mijn duimen in wanhoop op mijn ogen geplaatst, alles wat ze voor me was weer op een hoop gegooid en met zachte afdrukken haar lichaam nog trotser gemaakt dan het al was. Maar al die woorden waren nu onbruikbaar.

Want wat ze zou lezen, waren niet de woorden van een jongen die al twee jaar tegen beter weten in verliefd op haar was. Ze zou het onderschrift te zien krijgen van een genadeloos geil portret dat Vincent maakte van een waterdruppel op haar rug. Hij wilde de enige toeschouwer zijn die wist waar het water heen gleed, de enige tong bezitten die de druppel mocht stoppen in zijn vlucht.

Beelden van een paar weken eerder zochten mijn draaiende kop op. Vincent en ik hadden paddo's geslikt, in het weiland onder de sterren. Uit een molshoop tussen ons in zagen we plots een engel opstijgen. We wilden allebei de engel strelen tot ze zong, maar dit lijf van licht ook verstoppen in de grond en vergeten dat het bestond. We hadden gehuild en als gekken met onze handen door de aarde gegraaid. De engel was onze verlossing en ondergang tegelijk. Toen de trip uitgewerkt was en we bevestigden wat we al wisten, schalde onze lach net iets te hard tussen de nachtelijke wolken. De echo ontbrak.